Alles kan, maar niets moet
Liechtenstein
LIGGING, OPPERVLAKTE EN AFMETING
Het vorstendom Liechtenstein ligt in Midden-Europa, ongeveer in het midden van de circa 1200
km lange en gemiddeld 150 km brede Alpengordel. De oppervlakte bedraagt 160,008 km2. Dat is
ongeveer dezelfde oppervlakte als die van de gemeente Amsterdam.
Liechtenstein ligt op de rechteroever van de Rijn, ingeklemd tussen de Zwitserse Eedgenootschap
en de Republiek Oostenrijk, tussen 47°03' N.B. (Ruggell, Bangerfeld) en 47°04' N.B. (Balzers,
Ellhom) en tussen 9°029' O.L. (Balzers, Altrüttenen) en 9°38' O.L. (Scheuenkopf). Van noord naar
zuid meet het land maximaal 24,56 km, van west naar oost 12,36 km (gemiddeld circa 6 km). De
totale lengte van de rijksgrens bedraagt 76 km (41,1 km met Zwitserland en 34,9 km met
Oostenrijk).
In Europa is Liechtenstein de op drie na kleinste staat. Ter vergelijking: (2007 status)
Land Oppervlak(km) Inwoners
Andorra
453 58000
Liechtenstein
160 32000
Monaco
2 28000
San Marino
61 24000
Vaticaanstad
0.44 1000
DE NAAM LIECHTENSTEIN
In de Middeleeuwen was de naam Liechtenstein in verschillende spellingen wijd verbreid in het
Duitse taalgebied. De eerste vermelding van de naam die met het huidige vorstenhuis en land te
maken heeft, heeft betrekking op een oorkonde waarin een burcht bij Mondeling in Nederoostenrijk
wordt vermeld. De naam wordt afgeleid van het Oudhoogduitse woord Ilhenslein. Uit deze
samenhang kan de volgende betekenis worden afgelezen: de 'lichtende', de glansrijke, ver in het
land uitkijkende rots (steen), waarop later een burcht stond. Symbolisch met de naam
samenhangend, kozen de Liechtensteiners voor hun schild, wapen en vlag de kleuren geel (= zon,
licht) en rood (= steen, het vaste element). Ook thans nog zijn dit de kleuren van het vorstenhuis.
De heerlijkheid Schellen berg en het graafschap Vaduz kregen bij de samenvoeging in 1719 tot
een Rijksvorstendom de naam van het heersersgeslacht dat de gebieden door koop had
verworven: 'Liechtenstein'. Tot in de 1ge eeuw komt de spelling Lichtenstein voor in documenten.
Een vorstendom Liechtenstein bestond al voor de stichting van het huidige land. Het was in
gebruik voor een landgoed in Moraviê, dat in 1625 door vorst Gundaker von und zu Liechtenstein
was verworven. De oorspronkelijke naam van het gebied was Kromau. In 1633 verhief keizer
Ferdinand van Oostenrijk Kromau tot vorstendom Liechtenstein. Het verloor zijn naam in 1719 bij
de oprichting van het huidige vorstendom Liechtenstein.
LANDSCHAP
Het vorstendom Liechtenstein heeft een afwisselend landschap en vertoont op zijn kleine
grondgebied een hoogteverschil van circa 2000 meter. Het hoogste punt van het land is de Vorder-
Grauspitze (2599 m). Het laagste punt is gelegen in de gemeente Truggel (Truggelen Riet 430 m).
In Liechtenstein kunnen drie landschapstypen worden onderscheiden:
1.
de dalzone (circa een kwart van de totale oppervlakte van het land), hoogte tussen 430 en
480 meter, die hoofdzakelijk bestaat uit aangeslibde grond met leem- en grindlagen,
2.
de hellingen aan de Rijndalzijde (circa 40% van het grondgebied), met hoofdzakelijk naar
het westen gekeerde steile beboste hellingen;
3.
de Alpenzone (circa 35% van het grondgebied), met van noord naar zuid verlopende
Alpendalen.
De bergketens maken deel uit van het Rhätikonmassief dat zich uitstrekt tot de buurlanden.
Van Balzers naar Ruggell is tussen 1931 en 1943 het circa 26 kilometer lange Binnenkanaal
parallel aan de Rijn gegraven om de afwatering van het dal beter te kunnen regelen. Andere
rivieren in Liechtenstein zijn de Damian. de Calorisch. de Malbunbeek en de Esche.
TAAL
De officiële taal van het vorstendom Liechtenstein is het Duits. Het wordt gebruikt als ambtelijke
taal en als voertaal in het onderwijs. De bevolking spreekt in het dagelijks leven een Alemaans
dialect, dat door alle lagen van de bevolking wordt gesproken en dan ook als de eigenlijke
moedertaal kan worden aangemerkt. Ook op de lokale radio- en televisiestations wordt het dialect
veelvuldig gebruikt.
Het dialect dat wordt gesproken behoort tot de Bovenduitse dialecten, waartoe behalve het
Alemaans ook het Schwäbisch, het Beiers, het Oostfrankisch en het Zuidrijn frankisch worden
gerekend. In Liechtenstein spreekt men wel van Liechtensteiner Düütsch.
In Liechtenstein heeft elke gemeente tot op zekere hoogte een eigen dialect, zelfs binnen één
gemeente kan soms onderscheid worden gemaakt. Ook verschilt het dialect tussen jongeren en
ouderen, omdat de eerstgenoemde door o.a. onderwijs, sport e.d. meer contact met elkaar hebben
buiten het eigen dorp. In het vorstendom kunnen drie dialectgebieden worden onderscheiden: het
Unterland, de gemeenten in het Rijndal van het Oberland en de gemeente Triesenberg.
De laatste jaren wordt het dialect steeds vaker in geschreven vorm gebruikt en gepubliceerd. In
tegenstelling tot verschillende varianten van het Zwitsers-Duitse dialect bestaan er voor de
Liechtensteinse dialecten (nog) geen officiële spelling.
GEOLOGIE
Liechtenstein heeft een interessante geologische geschiedenis. Midden in het land botsen de
West- en de Oost- Alpen (samen een 1200 km lange bergketen die in een halve maan door
Europa loopt en gemiddeld 150 km breed is) tegen elkaar. De grens loopt van de Luziensteig bij
Balzers via Vaduz in noordoostelijke richting. Het grootste gedeelte van het Alpengebied behoort
tot de Oost-Alpen, terwijl de Fläscherberg (in het zuiden, bij Balzers) en de Eschnberberg in het
noorden als uitlopers van de helvetische deklaag in het Rijndal omhoog steken. Het noordelijke
deel van de Fläscherberg met zijn markante uitloper de Ellhom ligt op Liechtensteins grondgebied.
In het noorden komt, zoals gezegd, het Helveticum aan het licht, dan naar het zuiden toe het
Vorarlberger en Vaduzer Flysch, de onderalpine Falknisdeklaag en de boven-alpine Lechdallaag.
De tectonisch diepstliggende laag is de Falknislaag, waarvan de rotswanden weinig gestructureerd
zijn. De Lechdallaag toont echter, bijvoorbeeld aan de noordvoet van de Naafkopf watervalachtige
plooien. De steile wanden in het Saminadal en de bergen rondom de bergketen zijn gevormd door
Arlberglagen. Het Hoofd-Dolomiet is verantwoordelijk voor de gescheurdheid van de Drei
Schwestern en voor de enorme rotswanden van de Falknis.
De flysch-zone vormt de basis van de Drei Schwesternketen. De Rijngletsjer heeft zijn sporen
nagelaten in de vorm van drumlins aan de zuidzijde van de Eschnerberg en de gletsjersleuf tussen
Bendern en Ruggell. Uit het Alluvium dateren de berghellingen rondom de Sarojasettel en de
reusachtige puinhellingen aan de westkant van de Drei Schwesternketen.
Het Rijndal zelf blijft een onopgelost geologisch raadsel. Het zou logischer zijn geweest als de Rijn
door het Zwitserse Seeztal naar de Walensee en de Zürichsee zou hebben gestroomd en niet door
het huidige Rijndal. Tot op heden is het niet opgehelderd of het Rijndal een geotechnische
depressie of het resultaat van erosieprocessen is. Wellicht werd het dal door breuken in de
aardkorst gevormd. Door de rijkdom aan geologische verscheidenheid is er voor verzamelaars van
fossielen en mineralen veel en veelzijdige vondsten te doen op een beperkte oppervlakte.
HOOGSTE BERGTOPPEN IN LIECHTENSTEIN
1. Grauspitze
2599 m
2. Schwarzhorn
2574 m
3. Naafkopf
2570 m
4. Falknis
2560 m
5. Falknishorn
2452 m
6. Augstenberg
2359 m
7. Plasteikopf
2346 m
8. Gorfion
2308 m
9. Ochsenkopf
2286 m
10. Hochspieler
2226 m
11. Rappenstein
2222 m
12. Galinakopf
2198 m
13. Spitz (Silberhorn)
2186 m
14. Scheuenkopf
2150 m
15. Hubel
2150 m
16. Rotspitz (lawena, Falknis)
2127 m
17. Kuhgrat
2123 m
18. Goldlochspitz
2110 m
19. Gamsgrat
2110 m
20. Garsellikopf
2106 m
21. Schönberg
2104 m
22. Nospitz
2091 m
23. Stachlerkopf
2071 m
24. Dreischwestern
2052 m
25. Zigerberg
2051 m
KLIMAAT
Liechtenstein ligt op de overgang van het oceanische (door de Atlantische Oceaan beïnvloed,
vochtig en koel) naar het continentale klimaattype (droog en warm, heersend in het gebied rond
Chur). De temperatuurgegevens tonen relatief warme zomers en koude vroege winters. De
gemiddelde temperatuur bedroeg over de periode 1975- 1994 9,7oC. De koudste maand
gedurende deze periode was januari (O,6oC); de warmste juli (18,7 ook). In 1999 was de
gemiddelde temperatuur 10,1oC; op de warmste dag (in juli) werd het 32,2oC; op de koudste dag
(in februari) -16,3oC.
Een belangrijk aandeel in het klimaat heeft föhn. Deze warme zuidenwind waait circa 40 dagen per
jaar. Vooral in oktober zorgt deze voor hogere temperaturen dan nor- maal in die maand. Ook in
de winter kan de föhn van tijd tot tijd voor een relatiefhoge dagtemperatuur zorgen. De gemiddelde
regenval bedraagt tussen de circa 900 mm per jaar (in het Rijndal) en circa 2400 mm (op de berg-
hellingen). Het land is in de zomer op zijn mooist, maar ook de lente en de herfst hebben elk hun
eigen bekoring. De winter is bij uitstek geschikt voor de beoefening van wintersporten. Vochtige en
relatief milde westenwinden overheersen. Ongeveer eenderde van alle waargenomen winden
komt daardoor (vanwege de ligging van de berg- ketens) uit het noorden, de rest uit het zuiden.
FLORA EN FAUNA
Liechtenstein is een waar natuurparadijs en de natuurliefhebber kan er zijn hart ophalen. Tot op
heden zijn er ruim 1600 plantensoorten aangetroffen. Bijna een derde van alle planten bevindt zich
in het natuurreservaat Ruggeiler Riet. Ook de heuvel waarop de burcht Gutenberg in Balzers
staat, is uitzonderlijk rijk bedeeld (circa 280 soorten). In het Rijndal vormen de moerasachtige
gebieden (Ried) een afzonderlijke biotoop, waar o.m. de gele en de Siberische lis voorkomen. Ook
de Rijndam, die voornamelijk uit grind en rotsblokken bestaat, kent zijn eigen specifieke flora.
De flora staat in Liechtenstein grotendeels onder wettelijke bescherming. Sinds 1989 bestaat voor
het gehele Alpengebied een pluk- en uitgraafverbod. In het Rijndal zijn bepaalde gebieden onder
natuurbescherming geplaatst. De belangrijkste boomsoort in het dalgebied (van 500 tot 1200
meter) is de beuk (vooral in het slotwoud boven Vaduz is het beukenbos in zijn oervorm nog
grotendeels bewaard gebleven).
De eigenlijke alpenflora begint boven de boomgrens, maar uitlopers hebben ook de lager gelegen
delen bereikt. De meeste soorten, zoals de beroemde edelweiss, gentiaan, vuurlelie, alpenroosje,
alpenaster, vrouwenschoentje en sneeuwroos komen ook in andere landen in de voor enkele
soorten zijn echter alleen in Liechtenstein aanwezig.
Evenals de flora kan de fauna zich verheugen in een grote rijkdom aan soorten. De typische alpine
zoogdieren worden ook in Liechtenstein aangetroffen: o.m. gemzen, reeën, edelherten,
steenbokken, Alpenmarmotten, dassen, wilde zwijnen, veld- en sneeuwhazen. Op het grondgebied
van het vorstendom Liechtenstein zijn circa 145 regelmatig broedende vogelsoorten aangetroffen.
De aan water gebonden vogelsoorten zijn in Liechtenstein zeer ondervertegenwoordigd. In de
Alpen nestelen thans 68 verschillende broedvogel soorten, waaronder de havik, buizerd en
steenadelaar. Het aantal voorkomende amfibieën is slechts bescheiden, o.a. komen in
Liechtenstein enkele salamander- en kikkersoorten voor.
In de Liechtensteinse wateren worden diverse vissoorten, waar onder enkele forelsoorten,
aangetroffen.
HELLINGSGRAAD
De hellingsgraad is een maat om
de stijging van een hellend vlak
weer te geven. De hellingsgraad
wordt uitgedrukt in percentage
%, en wordt daarom ook
stijgingspercentage genoemd.
De hellingsgraad van een heuvel,
helling, berg of rivier is gelijk aan
het hoogteverschil gedeeld door
de horizontale afstand. Bij een
hellingsgraad van 10% stijgt de
weg 10 meter voor iedere 100
meter die er in horizontale
richting wordt afgelegd. Een
hellingsgraad van 100% betekent
geen hoek van 90 graden maar
een hoek van 45 graden. (Een
hellingsgraad van meer dan
100% is dus ook mogelijk.)