Alles kan, maar niets moet
Liechtensteiners
HOE LIECHTENSTEIN AAN ZIJN NAAM KWAM
DE BOER MET DE LICHTGEVENDE STEEN.
Lang geleden leefde er eens een arme boer, die elke dag zwaar en veel werk moest verrichten,
want er heersten grote noden in het land. Van de vroege ochtend tot de late avond zwoegde hij,
maar de oogst was maar nauwelijks vol. doende om zijn familie te voeden. Soms trokken er ook
legers door het land, op weg om ergens strijd te leveren en zij lieten hun sporen na in de pas
geploegde akkers. Dan moest de arme boer telkens van voren af aan beginnen.
Weer eens zo geplaagd was hij aan het werk. Diep in gedachten verzonken, merkte hij niet, dat
zijn ploeg op iets hards stootte en vast zat. Ongerust wrikte de boer de ploeg los. Toen hij keek wat
de ploeg had dwars gezeten, zag hij dat het een grote lichtgevende steen was, die prachtig
flonkerde. De boer nam de steen op, poetste hem schoon met zijn mouwen nam hem mee naar
huis.
Al spoedig was de vondst in het hele land bekend. Van overal kwamen de arme bewoners naar de
boer om de wonderbaarlijke steen te bewonderen en vanaf die dag veranderde het lot van het
arme land: er kwam voorspoed en geluk en in dankbaarheid noemde men het land, waar de steen
gevonden was 'Liechtenstein'.
BEVOLKING
Liechtenstein is door de eeuwen heen een smeltkroes geweest van verschillende volkeren. Kelten
en Romeinen, Alemannen en Germanen, en vanaf de 13e eeuw de Walsers, hebben het
Liechtensteinse volk gevormd. Door alle eeuwen heen hebben zich buitenlanders in Liechtenstein
gevestigd. Thans is circa 1/3 gedeelte van de bevolking geen Liechtensteins staatsburger.
In 1812 telde Liechtenstein slechts 5797 inwoners. Begin 1999 telde het land 32426 inwoners. Van
nature is het Rijndal het dichtst bevolkt. De grootste gemeenten zijn Vaduz (1999: 5043 inwoners)
en Schaan (5346); de kleinste gemeenten Schellen berg (983) en Planken (352). De
dichtstbevolkte gemeente was in 1999 Mauren (428 inwoners per km2); de minst bevolkte Planken
(66 inwoners per kro2). Ook in Liechtenstein daalt het geboortecijfer sterk en stijgt de
levensverwachting, waardoor sterke vergrijzing van de bevolking het gevolg is.
Het aantal Liechtensteiners dat in het buitenland woonachtig is, is sinds 1950 vrij stabiel gebleven.
In 1999 waren er 2473 Liechtensteinse staatsburgers buiten Liechtenstein gevestigd (het grootste
deel, 1597 personen, verbleef in Zwitserland). Nederland telde in dat jaar 6 Liechtensteiners,
België 10.
DE WALSERS
Kort voor 1300 vestigden de Walsers (ook Wallisers genoemd), afkomstig uit het huidige Zwitserse
kanton Wallis, zich in Liechtenstein. De Liechtensteinse Walsers behoren tot de zgn. Davos-groep
en waren van oudsher 'vrije' mensen. Zij konden deze positie, in tegenstelling tot hun verwanten in
Graubünden, tegenover de Liechtensteinse landsheersers niet behouden. In 1494, resp. 1513
verwierven zij het burgerrecht van het graafschap Vaduz en werden zij onderdanen van de
toenmalige landsheer. De Walsers waren oorspronkelijk een nomadenvolk van Alemaanse origine.
afkomstig uit het Berner Oberland, die zich voor het jaar 1000 in het Zwitserse Gomsdal hadden
gevestigd. Zij stonden bekend om hun bereidheid de hooggelegen dalen ondanks de moeilijke
omstandigheden te bewonen en te bewerken. Aan dit feit hadden zij hun vrijheden te danken. Van
de Walsers. die zich in Triesenberg en Planken vestigden, hebben de Triesenbergers hun van de
andere Liechtensteiner afwijkende dialect en gewoonten voor een zeer groot gedeelte tot op
heden weten te bewaren.
SINT LUClUS
Sint lucius is de schutspatroon van Liechtenstein. De heilige, die in de 2e of 3e eeuw moet hebben
geleefd, was een Britse koning, die zijn troon opgaf om het christendom in Europa te helpen
verbreiden. Zo zou hij het Liechtensteinse volk hebben bekeerd; aan hem herinnert nog de pas bij
Balzers op de grens met Zwitserland, de luziensteig. lucius werd de eerste bisschop van Chur en
stierf de marteldood door steniging. Zijn feestdag is 3 december.
FOLKLORE
De Liechtensteinse bevolking houdt tal van zeden en gebruiken in ere, al zijn er de laatste
decennia onder invloed van het moderne jachtige leven ook veel verloren gegaan. Voor een deel
hebben zij hun oorsprong in oude heidense gebruiken en overleveringen, voor een ander deel in
de godsdienst en het volksleven zelf. Bij de kerkelijke gebruiken gaat het hoofdzakelijk om rooms-
katholieke gebruiken rondom de grote kerkelijke feestdagen, zoals advent, kerstmis, Sint Nicolaas,
Pasen, Allerheiligen en Allerzielen. Van de eens zo talrijke processies worden er nog steeds
enkele gedurende het jaar gehouden, zoals die tijdens Sacramentsdag.
Tot de oude heidense gebruiken behoren o.a. de folklore in de vastentijd. De eerste zondag in die
periode heet Funken of Kuachlesunntig. Na zonsondergang worden in alle dorpen vuren
aangestoken, de Funken (=houtmijt), waarbij zich dan de gehele bevolking verzamelt. Bovenop de
brandstapel wordt een strooien pop geplaatst, de heks, in wiens kop vaak vuurwerk wordt verstopt.
Het vuur symboliseert de komst van de lente en de uitbanning van de boze geesten.
Schmutziger Donnerstag wordt gevierd op de donderdag voor carnaval. Jongens proberen dan
door een list de huisvrouw uit de keuken te lokken en haar gevulde pannen te stelen. Schmutzig (=
vies) slaat vooral op het roet afkomstig van de pannen waarmee de jongeren elkaar proberen in te
smeren.
De terugkeer van het vee van de almen, de Alpabfahrt, vindt aan het einde van de zomer plaats.
De koe, die de meeste melk heeft geproduceerd, loopt voorop en draagt allerlei bonte
versierselen, waaronder een houten hart, dat boven de staldeur wordt opgehangen.
De oogst van de maďskolven (in Liechtenstein wordt maďs "Türken", naar zijn herkomst uit Turkije,
genoemd) was vroeger een groot feest. Eind oktober haalde men de rijpe maďs van het land en de
hele familie hielp bij het plukken van de korrels (Tüargga uszüha genoemd).
Ook rondom de wijnoogst zijn er verschillende gebruiken. Vanaf het begin van het rijpen van de
druiven mogen de wij gaarden niet meer worden betreden. De Traubenkommission in elke
gemeente bepaalt wanneer de tijd gekomen is om de druiven te oogsten. De dag waarop de oogst
begint heet Wimmlete. Als het oogsten is geschied, moet worden gewacht op het moment waarop
de jonge wijn, de Suuser, voor het eerst kan worden geprobeerd. Meestal gebeurt dat op een
zondag, zodat deze dag bekend staat als 'Suusersunntig'. Van het eerste proeven wordt een groot
feest gemaakt, met versierde optochten en folkloristische dansen, waarbij natuurlijk rijkelijk van de
jonge wijn wordt geproefd.
De nationale feestdag wordt sinds 1940 op 15 augustus (= Maria Hemelvaart, dialect Üsa-Lieb-
Frauatag) gevierd. Oorspronkelijk vierde men op deze dag de officiële verjaardag van vorst Franz
Josef II, wiens eigenlijke verjaardag 16 augustus was. Na zijn overlijden in 1989 besloot men het
jaar daarop de 15e augustus wettelijk als nationale feestdag vast te leggen. De dag begint meestal
met een rooms-katholieke mis (sinds 1990 is een openluchtmis op de slotweide in Vaduz
gebruikelijk, waarbij de gehele bevolking en buitenlandse gasten en toeristen van harte welkom
zijn), gevolgd door een aperitief en ontvangst voor genodigden in het slot, optochten door Vaduz,
een volksfeest in de hoofdstad tot in de late uren, een fakkeloptocht over verschillende
bergkammen en afgesloten door een inmiddels wijd en zijd beroemd spectaculair vuurwerk.
Met de verschillende levensfasen (geboorte, eerste communie, huwelijk, overlijden e.d.) zijn ook
specifieke gebruiken verbonden.
GASTRONOMIE
De Liechtensteinse keuken is van oorsprong gebaseerd op de schaarse voortbrengselen van de
landbouw. Dure gerechten vonden onder de arme boerenbevolking geen verbreiding. Lange tijd
moesten de Liechtensteiners zich voeden met hoofdzakelijk aardappelen en maďs. Het nationale
gerecht wordt dan ook van maďs gemaakt: de Riebel. Een ander nationaal gerecht, dat vooral in
Balzers werd gegeten, is de Hafalääb (langwerpige broodjes van tarwe en maďsmeel, die in de
koekenpan worden gebakken). Tot de traditionele gerechten kunnen ook worden gerekend
Ofaguck (een in de oven gebakken aardappelpuree), bonensoep (een dikke soep met bonen en
varkensvlees), Kratzete (omelet, die wordt gegeten met een vruchtencompote of bonen). Op de
alpenweiden wordt ook thans nog Sauerkäs bereid, een wat vochtige kaas met een wat zurige
pikante smaak. Sinds 1998 maakt een kaasmakerij in Ruggell Liechtensteinse kazen, die erg lijken
op jonge Nederlandse kaas.
Als toerist behoeft men zich geen zorgen te maken dat men iets tekort komt. Veel gerechten uit de
Zwitserse en Oostenrijkse keuken hebben hun weg naar Liechtenstein gevonden. De
menukaarten van de hotels en restaurants zijn doorgaans afgestemd op een internationaal
publiek. Hier en daar kan men in dorpjes nog lokale gerechten op de kaart aantreffen. De laatste
jaren wordt in verschillende restaurants van tijd tot tijd een Liechtensteinse week georganiseerd,
waarbij de traditionele gerechten centraal staan. In dit kader mogen de Käsknöpfli (een soort
zelfgemaakte macaroni met kaas) en koude schotels met zeer dun gesneden plakken Bündner (=
uit het kanton Graubünden in Zwitserland afkomstig) rundvlees, dat gepekeld, geperst en
maandenlang in de berglucht is gedroogd, niet ontbreken. In het vorstendom komt deze
'Bündnerteller' ook onder andere namen voor, bijv. Liechtensteiner Teller, Malbuner Teller. In
Liechtenstein wordt een aantal worstsoorten geproduceerd (onder de merknaam Malbuner) die
niet te versmaden zijn.
Liechtenstein staat ook bekend om zijn voortreffelijke gebak en chocolade. Beroemd is de
Liechtensteiner Honigtorte van echte Liechtensteinse honing gemaakt. Verschillende
chocolaterieën maken zelf bonbons. Bekend zijn de Vaduzer Weinbergschnecken (Konditorei Wolf
in Vaduz). In het najaar wordt de Birazälta {peren brood) gebakken, een vrij zwaar brood gevuld
met o.a. gedroogde peren, noten, vijgen en rozijnen. In de Adventstijd worden Krömli
(biscuitachtige koekjes) gebakken, zoals de Zimsternli en de Mailänderle. Een nog veel gegeten
Carnavalsgebak is het Funkenküchli, een zeer dunne, in heet vet gebakken, deegkoek die met
poedersuiker wordt bestrooid.
LIECHTENSTEINSE WIJNEN
De wijnbouw is vermoedelijk al tijdens de Romeinse overheersing in Liechtenstein
geďntroduceerd. Door klimaatverbetering in de 13e/14e eeuw werden de omstandigheden voor
wijnbouw aanzienlijk verbeterd, waardoor wijn van oudsher een uitvoerproduct van het land was.
Tegenwoordig worden de meeste wijnen in eigen land verkocht. De meest voorkomende
druivensoort is de blauwe Bourgondiër.
Wijnbouw wordt in voornamelijk in zeer kleine wijngaarden bedreven; tot de grotere behoren de
kavels van de vorstelijke wijngaarden (Abtswingert en Herrawingert, Vaduz), Rode Huis (Vaduz) en
Gutenberg (Balzers).
De vorstelijke wijnen worden verkocht door de Hofkellerei des Fürsten von Liechtenstein in Vaduz,
waar ook wijnen uit de vorstelijke wijngaarden in Oostenrijk worden verhandeld. Tot de vorstelijke
wijnen behoren: Grüner Veltliner, Rheinriesling, Riesling Sylvaner, Schloss Wilfersdofj; Vaduzer
Beerli en Vaduzer Süssdruck.
In 1996 werd een nieuwe wijn soort ingevoerd, de Federweiss, die verkregen wordt uit vers
geperste blauwe wijndruiven, en 1ichtrose van kleur is. Op ongeveer 17 ha worden wijndruiven
verbouwd. De totaal opbrengst varieert van 70.000 tot 100.000 liter wijn per jaar. De bekendste
wijnen zijn: Bendura, Eschner Süssdruck, Eschner Feuergold, Herrgottsacker (Bendem), Maurer
Beerle, Schaaner Ablass, Schloss Gutenberg, Triesner Kretzer, Vaduzer Beerli en Vaduzer
Süssdruck.
RIEBEL
Het nationale gerecht van Liechtenstein
1/2 liter melk, 1/2 liter water, 550 gram maďsmeel, 50 tot 100 gram boter, zout, peper.
Giet de melk en het water in een braadpan. Voeg zout en peper naar smaak toe. Breng het
mengsel aan de kook. Voeg het maďsmeel langzaam toe en laat het geheel koken tot een vaste
massa ontstaat. laat de massa afkoelen. Smelt een flink stuk boter in een koekenpan. laat de
afgekoelde massa in de hete boter glijden en bak hem aan alle kanten, onder af en toe
omspatelen, goudbruin. Serveer het gerecht met koffie en appelmoes.
HELLINGSGRAAD
De hellingsgraad is een maat om
de stijging van een hellend vlak
weer te geven. De hellingsgraad
wordt uitgedrukt in percentage
%, en wordt daarom ook
stijgingspercentage genoemd.
De hellingsgraad van een heuvel,
helling, berg of rivier is gelijk aan
het hoogteverschil gedeeld door
de horizontale afstand. Bij een
hellingsgraad van 10% stijgt de
weg 10 meter voor iedere 100
meter die er in horizontale
richting wordt afgelegd. Een
hellingsgraad van 100% betekent
geen hoek van 90 graden maar
een hoek van 45 graden. (Een
hellingsgraad van meer dan
100% is dus ook mogelijk.)